Arnon Grunberg (1971) is misschien wel de meest toonaangevende Nederlandse auteur van dit moment. Hij is actief (en ongekend productief) in alle belangrijke literaire genres en toont zich op verschillende podia. Hij is rijk bedeeld met literaire prijzen en zijn boeken worden gedrukt in hoge oplagen. Toch is Grunberg ook controversieel, onder andere vanwege zijn reactie op 9/11. Maar de (schijnbare?) onbekommerdheid die hij in zijn commentaren op de aanslagen in New York aan de dag legde, krijgt bijvoorbeeld tegenwicht op de talloze plaatsen in zijn snel uitdijende oeuvre waarin hij (op weliswaar nonchalante toon) cruciale kwesties aan de orde stelt. Zijn internationale en multimediale optreden roept vragen op over het schrijverschap en over de grenzen van het object van literatuur en literatuurwetenschap. Omdat Grunberg in dit opzicht als typische auteur van deze tijd kan worden beschouwd, worden in dit themanummer enkele principiële beschouwingen over zijn werk gepresenteerd. De redactie hoopt dat de artikelen zullen bijdragen aan het formuleren van nieuwe onderzoeksvragen op het terrein van de contemporaine literatuur.Inhoud: YRA VAN DIJK/THOMAS VAESSENS, Ter inleiding YRA VAN DIJK, 'Op inspiratie wacht je niet'. Plagiaat, imitatie en 're-enactment' in de romans van Arnon Grunberg SUZANNE FAGEL, Gruwelen met Grunberg. Een stilistische analyse van tijd en aspect in De asielzoeker ALBERT VERBEEK, Geen held maar een pechvogel. De meervoudige travestie in Arnon Grunbergs Onze oom SABINE VAN WESEMAEL, Tegen de wereld, tegen het leven. Over de verwantschap tussen Michel Houellebecq en Arnon Grunberg THOMAS VAESSENS, Realiteitshonger. Arnon Grunberg en de (non-)fictie
De nimf Echo kon alleen woorden van anderen weergalmen. Haar tragiek is die van alle literatuur. Dichters en vertellers hebben woorden van anderen steeds weer herhaald. Dat kon moeilijk anders, want als ze werkelijk origineel waren geweest, zou niemand hen hebben begrepen.In Echo’s echo’s behandelt Paul Claes het intertekstuele spel met bestaande literatuur in haar verschillende gedaanten: citaat, allusie, travestie, adaptatie, parodie en pastiche. Theoretischehoofdstukken wisselen af met praktische voorbeelden uit de hele westerse literatuurgeschiedenisen de Nederlandse poëzie (Frederik van Eeden, Hugo Claus en Hans Faverey). Een lijst van intertekstuele termen sluit het boek af. De oorspronkelijke editie (1988) werd grondig gereviseerd, geüpdatet en aangevuld met twee nieuwe hoofdstukken. In een daarvan wordt een nieuwe vertaaltheorie gepresenteerd.Paul Claes (1943) is als romancier, dichter, vertaler en essayist een van de productiefste en veelzijdigsteauteurs van de Lage Landen. Baanbrekende studies zijn: Het netwerk en de nevelvlek (1979), De mot zit in de mythe en Claus-reading (1984), Raadsels van Rilke (1995), De Gulden Tak (2000), Concatenatio Catulliana (2002) en La Clef des Illuminations (2008). Paul Claes ontving de Martinus Nijhoff Prijs voor vertaling (1996), de eci-prijs en de Multatuli-prijs voor de roman De Kameleon (2002). Echo’s echo’s werd in 1991 bekroond met de Staatsprijs voor essay en kritiek.
De aanleiding voor dit bijzondere boek is de vraag: Hoe is het om als travestiet achter het raam te werken? In vier gesprekken vertelt travo Bas/Nathalya openhartig over zijn ervaringen. De gesprekken worden voorafgegaan door een essay. In deze tijd van seksuele zelfbepaling is travestie niet meer los te zien van diversiteit, gender en seksuele oriëntatie. In het debat blijkt seksuele dienstverlening een blinde vlek te vormen. Is dat nog wel nodig in een samenleving waarin consumentisme en seksualisering de toon zetten? Vanuit deze dwarse kijk wordt een andere wending gegeven aan de lopende discussie.
‘Een is er, die mij echt ziet die middag, een jonge aalscholver. Ik heb hem uit de verte waargenomen als vlek in de rotswand en ben naar hem toe gezwommen, de laatste meters steeds voorzichtiger, omdat ik er zeker van was dat hij zou opvliegen als ik te dichtbij kwam. Ziet hij me niet, is hij niet bang voor me, wacht hij op zijn ouders, kan hij niet vliegen? Ik weet het niet, maar hij laat mij tot vlak bij zich komen. Wel draait hij zijn kop een onmenselijk aantal graden, zodat hij de hele zichtbare wereld binnen bereik heeft, maar dan richt hij toch weer zijn harde kralen op mij en vliegt niet weg. Zo vormen we een opmerkelijk vis-à-vis, geen van tweeën in ons element, hij als aardbewoner, ik als de travestie van een vis.’ In het tweede deel van Labyrint Europa zijn alle Europese reisverhalen van Cees Nooteboom vanaf 1967 opgenomen. Met zijn altijd scherpe oog ziet hij dingen die ons ontgaan, maar hij ziet vooral ook de woelingen in zichzelf. Met een variant op een uitspraak van die andere grote reiziger in de Nederlandse literatuur, Louis Couperus, zou Nooteboom kunnen zeggen: ‘Zo ik iets ben, ben ik reiziger.’ Hij zwerft door zowat alle landen van Europa, en graag ook in de uithoeken ervan. Nootebooms weergaloze manier om zijn observaties onder woorden te brengen is voor de lezer een voortdurend genot.
Mooie zilverkleurige ringen die je zo op je tepels kunt zetten. Het lijken net piercings! Niet alleen opwindend om te zien maar net zo opwindend om te voelen!
2 tepelpompjes met tepelringen in verschillende afmetingen.Door het vacuümzuigen worden je tepels bijzonder groot en extra gevoelig voor sexuele prikkels. Door het vacuümeffect is het net als er gigantisch aan je tepels gezogen wordt. Schuif na het vacu
[first edition].Autobiography of the well-known transvestite actrice and model (Barry)Caroline Cossey, alias TULA, who had a breakthrough for her part in the bond--movie 'For Your Eyes Only'. a good copy.Trefw:// pornografie / travestie / transseksualiteit /
[first edition] Story of the well-known French transvestite cabaret performer who turned transsexual. Fully illustrated with uncensored(1963!) photographs in black&white. Wrappers slightly damaged on top right corner(2mm), a little browned on spine but overall in very good condition.Trefw.: pornografie / travestie / transseksualiteit /
Mooie zilverkleurige ringen die je zo op je tepels kunt zetten. Het lijken net piercings! Niet alleen opwindend om te zien maar net zo opwindend om te voelen!
‘Een is er, die mij echt ziet die middag, een jonge aalscholver. Ik heb hem uit de verte waargenomen als vlek in de rotswand en ben naar hem toe gezwommen, de laatste meters steeds voorzichtiger, omdat ik er zeker van was dat hij zou opvliegen als ik te dichtbij kwam. Ziet hij me niet, is hij niet bang voor me, wacht hij op zijn ouders, kan hij niet vliegen? Ik weet het niet, maar hij laat mij tot vlak bij zich komen. Wel draait hij zijn kop een onmenselijk aantal graden, zodat hij de hele zichtbare wereld binnen bereik heeft, maar dan richt hij toch weer zijn harde kralen op mij en vliegt niet weg. Zo vormen we een opmerkelijk vis-à-vis, geen van tweeën in ons element, hij als aardbewoner, ik als de travestie van een vis.’ In het tweede deel van Labyrint Europa zijn alle Europese reisverhalen van Cees Nooteboom vanaf 1967 opgenomen. Met zijn altijd scherpe oog ziet hij dingen die ons ontgaan, maar hij ziet vooral ook de woelingen in zich
'Ik geloof dat de afkeer van ouderen of de betrekkelijke onverschilligheid over hun lot diep in ons DNA zit. Evolutionair gesproken is ouderenzorg een onding.' Dat onding koos Bert Keizer (1947), verpleeghuisarts in Amsterdam, al dertig jaar als zijn biotoop. En 'het verveelt nooit'.Onder de titel Zonder handschoenen schrijft Keizer, als vaste columnist voor het artsenweekblad Medisch Contact, over het drama van de ongeneeslijke ouderdom, het Lot dat niet te keren valt. Hartverscheurend kritisch, ontwapenend scherp, met galgenhumor en vol mededogen beschouwt hij zijn patiënten én de wereld waarin zij zich staande moeten houden: het verpleeghuis, '… een travestie die net zo veel met thuis van doen heeft als Hamlet met IKEA'. Bedenkingen heeft hij vooral bij het triomfantelijke primaat van de medische wetenschap, 'terwijl het gaat om een blik op de mens die voor je zit'.Maar ook buiten het verpleeghuis wordt Keizer angeheizt door h
De nimf Echo kon alleen woorden van anderen weergalmen. Haar tragiek is die van alle literatuur. Dichters en vertellers hebben woorden van anderen steeds weer herhaald. Dat kon moeilijk anders, want als ze werkelijk origineel waren geweest, zou niemand hen hebben begrepen.In Echo’s echo’s behandelt Paul Claes het intertekstuele spel met bestaande literatuur in haar verschillende gedaanten: citaat, allusie, travestie, adaptatie, parodie en pastiche. Theoretischehoofdstukken wisselen af met praktische voorbeelden uit de hele westerse literatuurgeschiedenisen de Nederlandse poëzie (Frederik van Eeden, Hugo Claus en Hans Faverey). Een lijst van intertekstuele termen sluit het boek af. De oorspronkelijke editie (1988) werd grondig gereviseerd, geüpdatet en aangevuld met twee nieuwe hoofdstukken. In een daarvan wordt een nieuwe vertaaltheorie gepresenteerd.Paul Claes (1943) is als romancier, dichter, vertaler en essayist een van de productiefste en veelzijdigst
Mooie zilverkleurige ringen die je zo op je tepels kunt zetten. Het lijken net piercings! Niet alleen opwindend om te zien maar net zo opwindend om te voelen!
‘Een is er, die mij echt ziet die middag, een jonge aalscholver. Ik heb hem uit de verte waargenomen als vlek in de rotswand en ben naar hem toe gezwommen, de laatste meters steeds voorzichtiger, omdat ik er zeker van was dat hij zou opvliegen als ik te dichtbij kwam. Ziet hij me niet, is hij niet bang voor me, wacht hij op zijn ouders, kan hij niet vliegen? Ik weet het niet, maar hij laat mij tot vlak bij zich komen. Wel draait hij zijn kop een onmenselijk aantal graden, zodat hij de hele zichtbare wereld binnen bereik heeft, maar dan richt hij toch weer zijn harde kralen op mij en vliegt niet weg. Zo vormen we een opmerkelijk vis-à-vis, geen van tweeën in ons element, hij als aardbewoner, ik als de travestie van een vis.’ In het tweede deel van Labyrint Europa zijn alle Europese reisverhalen van Cees Nooteboom vanaf 1967 opgenomen. Met zijn altijd scherpe oog ziet hij dingen die ons ontgaan, maar hij ziet vooral ook de woelingen in zich
‘Een is er, die mij echt ziet die middag, een jonge aalscholver. Ik heb hem uit de verte waargenomen als vlek in de rotswand en ben naar hem toe gezwommen, de laatste meters steeds voorzichtiger, omdat ik er zeker van was dat hij zou opvliegen als ik te dichtbij kwam. Ziet hij me niet, is hij niet bang voor me, wacht hij op zijn ouders, kan hij niet vliegen? Ik weet het niet, maar hij laat mij tot vlak bij zich komen. Wel draait hij zijn kop een onmenselijk aantal graden, zodat hij de hele zichtbare wereld binnen bereik heeft, maar dan richt hij toch weer zijn harde kralen op mij en vliegt niet weg. Zo vormen we een opmerkelijk vis-à-vis, geen van tweeën in ons element, hij als aardbewoner, ik als de travestie van een vis.’ In het tweede deel van Labyrint Europa zijn alle Europese reisverhalen van Cees Nooteboom vanaf 1967 opgenomen. Met zijn altijd scherpe oog ziet hij dingen die ons ontgaan, maar hij ziet vooral ook de woelingen in zichzelf. Met een variant op een uitspraak van die andere grote reiziger in de Nederlandse literatuur, Louis Couperus, zou Nooteboom kunnen zeggen: ‘Zo ik iets ben, ben ik reiziger.’ Hij zwerft door zowat alle landen van Europa, en graag ook in de uithoeken ervan. Nootebooms weergaloze manier om zijn observaties onder woorden te brengen is voor de lezer een voortdurend genot.
Twee tepelringen met ieder twee rood doorzichtige hartjes aan een ketting.
Gaatjes laten piercen is niet nodig, je klemt ze eenvoudig zachtjes aan je tepels.
Je voelt ze niet zitten en toch lijkt het of je échte piercings hebt.
De aanleiding voor dit bijzondere boek is de vraag: Hoe is het om als travestiet achter het raam te werken? In vier gesprekken vertelt travo Bas/Nathalya openhartig over zijn ervaringen. De gesprekken worden voorafgegaan door een essay. In deze tijd van seksuele zelfbepaling is travestie niet meer los te zien van diversiteit, gender en seksuele oriëntatie. In het debat blijkt seksuele dienstverlening een blinde vlek te vormen. Is dat nog wel nodig in een samenleving waarin consumentisme en seksu
Beautiful Boxer is gebaseerd op het waargebeurde verhaal van Thailand’s beroemde travestie kickbokser. Nong Toom (gespeeld door de Thaise kickbokskampioen Asanee Suwan). Nong gelooft dat hij een meisje is dat sinds haar jeugd gevangenzit in een jongens...
Mooie zilverkleurige ringen die je zo op je tepels kunt zetten. Het lijken net piercings! Niet alleen opwindend om te zien maar net zo opwindend om te voelen!
'Ik geloof dat de afkeer van ouderen of de betrekkelijke onverschilligheid over hun lot diep in ons DNA zit. Evolutionair gesproken is ouderenzorg een onding.' Dat onding koos Bert Keizer (1947), verpleeghuisarts in Amsterdam, al dertig jaar als zijn biotoop. En 'het verveelt nooit'.Onder de titel Zonder handschoenen schrijft Keizer, als vaste columnist voor het artsenweekblad Medisch Contact, over het drama van de ongeneeslijke ouderdom, het Lot dat niet te keren valt. Hartverscheurend kritisch, ontwapenend scherp, met galgenhumor en vol mededogen beschouwt hij zijn patiënten én de wereld waarin zij zich staande moeten houden: het verpleeghuis, '… een travestie die net zo veel met thuis van doen heeft als Hamlet met IKEA'. Bedenkingen heeft hij vooral bij het triomfantelijke primaat van de medische wetenschap, 'terwijl het gaat om een blik op de mens die voor je zit'.Maar ook buiten het verpleeghuis wordt Keizer angeheizt door het leven en sterven van de menselijke soort en ook daar getuigen zijn columns van. De hedendaagse psychiatrie, de 'kapsones' van Jomanda, voltooid leven, Darwin en de 'aantoonbare belachelijkheid' van het orthomoleculaire dieet. Bert Keizer bespiegelt het allemaal. Recht voor zijn raap, beziel(en)d, komisch en kwetsbaar.Bert Keizer is, behalve arts, ook filosoof en auteur van Onverklaarbaar bewoond (2010), waarin hij zich onderdompelt in de wereld van de neurochirurgie. Zijn landelijke bekendheid verwierf Keizer in 1994 met de bestseller Het refrein is Hein - Leven en sterven in een verpleeghuis. Verder schreef hij onder meer Taal, de dwalende gids (over Ludwig Wittgenstein) en Welk een waagstuk is een brief (vertaalde brieven van Emily Dickinson).
'Ik geloof dat de afkeer van ouderen of de betrekkelijke onverschilligheid over hun lot diep in ons DNA zit. Evolutionair gesproken is ouderenzorg een onding.' Dat onding koos Bert Keizer (1947), verpleeghuisarts in Amsterdam, al dertig jaar als zijn biotoop. En 'het verveelt nooit'. Onder de titel Zonder handschoenen schrijft Keizer, als vaste columnist voor het artsenweekblad Medisch Contact, over het drama van de ongeneeslijke ouderdom, het Lot dat niet te keren valt. Hartverscheurend kritisch, ontwapenend scherp, met galgenhumor en vol mededogen beschouwt hij zijn patiënten én de wereld waarin zij zich staande moeten houden: het verpleeghuis, ' een travestie die net zo veel met thuis van doen heeft als Hamlet met IKEA'. Bedenkingen heeft hij vooral bij het triomfantelijke primaat van de medische wetenschap, 'terwijl het gaat om een blik op de mens die voor je zit'. Maar ook buiten het verpleeghuis wordt Keizer angeheizt door het leven en sterven van de menselijke soort en ook daar getuigen zijn columns van. De hedendaagse psychiatrie, de 'kapsones' van Jomanda, voltooid leven, Darwin en de 'aantoonbare belachelijkheid' van het orthomoleculaire dieet. Bert Keizer bespiegelt het allemaal. Recht voor zijn raap, beziel(en)d, komisch en kwetsbaar. Bert Keizer is, behalve arts, ook filosoof en auteur van Onverklaarbaar bewoond (2010), waarin hij zich onderdompelt in de wereld van de neurochirurgie. Zijn landelijke bekendheid verwierf Keizer in 1994 met de bestseller Het refrein is Hein - Leven en sterven in een verpleeghuis. Verder schreef hij onder meer Taal, de dwalende gids (over Ludwig Wittgenstein) en Welk een waagstuk is een brief (vertaalde brieven van Emily Dickinson).